Lynn Robin
Winterzielen

De nachthemel is donker, zwaar met wolken.


    Sneeuw bedekt de daken van de huizen en de straatstenen; sneeuw rust op de takken van de dennenbomen.


    Pakjes liggen klaar in de kamers, in de gloed van kaarslicht, wachtend om uitgepakt te worden.


    Rode en gouden linten hangen boven de huizen en zijn van straat naar straat gespannen, hoewel ze zwart en grijs lijken in de duisternis. De bomen zijn roerloze, donkere gestaltes – net zo donker als de gedaantes die voor de ramen staan. Klein en groot, jong en oud, iedereen staat te wachten op hetzelfde:


    Het moment dat de winterlichten zich laten zien.


    Ze verschijnen ieder jaar op dezelfde nacht, de ene keer iets vroeger en de andere keer iets later, en pas wanneer de lichten de linten doen glinsteren en de bomen doen schijnen, kunnen de winterse feestdagen ingeluid worden.


    Haar adem vormt condens tegen het koude raam als ze een zucht slaakt. Ze is aan het wachten, net als al die andere mensen in al die andere huizen, maar ze voelt niet dezelfde spanning en verwachting als zij.


    Ze voelt… eenzaamheid.


    Haar blik dwaalt over de linten die boven de straten hangen, de rode en gouden linten die met elkaar verstrengeld zijn. Ze voelt zich als een gouden lint die haar rode lint mist, of een rode die haar gouden mist.


    Iemand om de magie, die zo meteen als sneeuw vanuit de hemel naar beneden zal dwarrelen, mee te delen.


    Iemand om cadeaus aan te geven.


    Haar huis is leeg; haar hart is leeg.


    Ze vouwt haar handen steviger om de inmiddels leeggedronken theekop, zoekend naar een restje warmte voor haar koude vingers-


    En fronst, als ze opeens iets om haar pols ziet.


    Een gouden lint, glinsterend als diamanten.


    Verward tilt ze haar arm op, terwijl ze zich omdraait om te zien waar het lint vandaan komt, waar het naartoe leidt.


    Er staat een kleine gedaante in de deuropening van de kamer.


    Een vos.


    Zijn ogen gloeien zilver in de schaduwen, vangen een zweem van goud als hij zijn spitse kop draait en afwachtend naar haar opkijkt. Ze schudt zichzelf wakker, zet haar beker op het bureau, loopt langzaam naar hem toe en hurkt bij hem neer. ‘Hoe ben jij binnen gekomen?’


    De vos knippert eenmaal met zijn ogen, beweegt zijn lange, dikke staart en draait dan zijn kop om; ze volgt zijn blik en ziet het gouden lint door de gang lopen, naar de voordeur toe waar hij naar buiten verdwijnt.


    Ze kijkt aarzelend naar de vos. ‘Wil je dat ik het lint volg?’


    Het dier zegt niets. Wacht geduldig.


    Als ze overeind komt trekt ze de deken om haar schouders dichter om zich heen, en voordat ze naar buiten stapt trekt ze haar schoenen aan. De voordeur kraakt zacht als ze hem opendoet, zoals hij iedere winter zachtjes kraakt, en haar adem stokt als de winterse ijzigheid in haar wangen bijt.


    Maar het lint leidt verder en verder, dieper de nacht in.


    Aarzelend begint ze het te volgen, met haar arm iets voor zich uitgestrekt. Haar voetstappen knerpen in de sneeuw als ze langs de huizen loopt. Ze voelt de ogen van alle mensen achter de ramen naar haar kijken, maar houdt haar blik op het lint gericht.


    Iets dwingt haar om het te blijven volgen.


    Iets dat sterker is dan zij.


    Ze begint sneller en sneller te lopen, begint te rennen zodra ze de straat uit is, haast zich onder de schaduwen van de dennenbomen door. Ze stopt pas als ze bij de rand van het bos is en kijkt ademloos omhoog; het lint leidt naar boven toe, over de boomtoppen heen, helemaal naar de hoge heuvel in de verte, een berg van witte sneeuw.


    Hoofdschuddend wankelt ze een stap naar achteren – daar kan ze nooit komen – en een onverwachts gevoel van wanhoop spoelt over haar heen; haar keel knijpt samen, haar ogen branden, ze heeft opeens het idee dat ze op het punt staat iets waardevols te verliezen.


    Iets heel waardevols, waar haar hart zo lang van gedroomd heeft.


    Dan hoort ze een geluid – een zachte, dierlijke grom, die op de één of andere manier ook klinkt als ijspegels die tegen elkaar aantikken.


    Ze draait zich om en haar ogen verwijden zich.


    Het is de vos.


    Maar hij is groter geworden, zijn gouden ogen stralen als kaarslicht en hij laat zich zakken in de sneeuw, gebarend met zijn staart – gebarend, dat ze op zijn rug moet klimmen.


    ‘Breng jij me erheen?’ fluistert ze, wijzend naar de heuvel.


    Hij knippert met zijn gouden, wijze ogen.


    Ze klimt op zijn rug, slaat haar armen om zijn nek, houdt haar adem in als hij zich overeind drukt en ze opeens zo hoog de lucht in torent, dat haar voeten niet langer de grond raken. Ze voelt hoe zijn spieren zich aanspannen, hoort een lage grom van diep uit zijn keel gerold komen…


    En dan rent de vos naar voren, neemt een sprong… omhoog, de bewolkte hemel in.


    Haar adem stokt en ze klampt zich aan hem vast als ze hoger en hoger de lucht in stijgen. De vos blijft zijn poten bewegen, alsof hij rent op een onzichtbaar pad dat hen naar boven leidt, en ze staart naar het gouden lint dat golft in de wind.


    Na een aarzeling waagt ze het om naar beneden te kijken.


    Ze vliegen.


    Over besneeuwde boomtoppen, door de nacht. Achter hen worden de huizen alsmaar kleiner en ze voelt hoe ze een andere wereld betreden, een wereld van winter en magie.


    Ze lacht.


    De wind giert in haar oren, blaast haar lange haren uit haar gezicht en de deken van haar schouders, maar het geeft niet – ze voelt geen kou, alleen maar warmte, en die warmte neemt toe als ze de top van de heuvel bereiken. De poten van de vos landen geruisloos in de sneeuw en hij laat zich zakken zodat ze af kan stappen.


    Het gouden lint glinstert en golft, wenkt haar om het te blijven volgen.


    Ze kijkt naar de vos. ‘Moet ik alleen verder?’ Hij gebaart met zijn kop, wat bijna voor een knikje door kan gaan. Ze glimlacht. ‘Dankjewel.’ Ze aait hem, maar hij duwt met een zachte grom zijn snuit in haar hand, zegt haar om verder te gaan.


    Het lint brengt haar naar de grootste boom in het midden van de heuvel en de frisse geur van dennennaalden is sterk in haar neus. Ze haast zich om de reusachtige bast heen, onder de besneeuwde takken door die dienen als een dak.


    Als ze de hoek omkomt, hoort ze voetstappen in de sneeuw.


    Ze stoppen allebei, als bevroren.


    Haar gouden lint verstrengelt zich met een rode, alsof ze al die tijd met elkaar verbonden zijn geweest, alsof ze de linten al die tijd alleen maar hebben hoeven te volgen om elkaar te vinden.


    Ze kijkt naar de jongen die voor haar staat; de rode lint is om zijn pols gebonden. Zijn donkere haar komt onder een muts vandaan en verbergt bijna zijn ogen – zijn ogen, die verrast over haar heen dwalen.


    Verrast. En hoopvol.


    Haar hart bloeit op als een bloem in de lente, staat opeens in vuur en vlam. Warmte stroomt haar altijd koude handen binnen en ze ademt beverig in. Ze kan zich niet van hem afwenden. Ze ziet zijn eenzaamheid die hij zijn hele leven met zich heeft meegetorst, zijn onzichtbare littekens en pijn.


    En ze weet dat hij de hare ziet.


    Ze voelt dat ze twee helften zijn.


    Twee helften, die eindelijk bij elkaar komen.


    Langzaam strekt hij zijn hand naar haar uit. Net zo langzaam komt ze dichterbij, met ingehouden adem, totdat haar vingertoppen langs de zijne strijken. Hij glimlacht en alle pijn verdwijnt. Ze glimlacht terug en kent geen kou meer.


    De warmte groeit als hij haar in zijn armen sluit. Ze verstrengelen hun handen met elkaar, net als hun linten, en ze hoort zijn hart slaan, slaan, slaan onder haar oor.


    Zijn vingers sluiten zich losjes om haar kin en hij heft haar gezicht naar zich op. Ze glimlacht weer en haar oogleden glijden naar beneden als zijn lippen de hare raken, warm en zacht.


    Ze verdwijnen.


    In hun eigen wereld.


* * *


Ze verdwijnen; ze lossen op in duizenden lichtjes. Ze zaaien zich uit over de wolken als sterren, dwarrelen naar beneden als sneeuwvlokken en zweven naar de stad. Ze landen in de linten en in de takken van de bomen.


    Achter de ramen zijn er glimlachen te zien en in de huizen beginnen de winterse feesten, feesten van warmte, kou, cadeaus, linten en liefde.


    De vos bekijkt stilletjes de schouwspellen die zich achter de ramen afspelen. Zijn ogen glinsteren in de gloed van de lichtjes die om hem heen dansen.


    Ieder jaar weer brengt hij twee gescheiden zielen bij elkaar.


    Ieder jaar weer beginnen de feestdagen vanuit liefde.


    Vanuit de liefde van Winterzielen.

Reageer
Marilyn Coene
26/12/2018 at 20:53
Reply

Heel mooi verhaal met een tintje fantasie …… i love it ❤



Stone
24/12/2018 at 17:55
Reply

Winterzielen is een fantastisch mooi verhaal met een originele invalshoek – PRACHTIG!! 🙂



RHS
23/12/2018 at 14:15
Reply

Prachtig geschreven-, met veel oog voor detail en sfeer-, origineel en fantasierijk-, verfrissend kerstverhaal; Lynn Robin is een auteur om in de gaten te blijven houden!



Ursula
23/12/2018 at 12:05
Reply

Mooi!!!!❤❤❤



Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *